't Ross (Laren)

Op deze pagina vindt u informatie over 't Ross.

Ligging

Aan de Rossweg 14 te Laren

Ontstaan

Het huis dateert van rond 1700.

Geschiedenis

De buitenplaats 't Ross heeft een oppervlakte van ongeveer 8 hectare. De noordgrens van het terrein wordt gevormd door de Rossweg en het gebeid wordt aan de oostzijde begrensd door de Dochterenseweg. Het terrein valt binnen de gemeente Lochem.
Het terrein van de buitenplaats bestaat uit een tuin- en parkaanleg in aansluiting op het hoofdhuis, waarin zijn opgenomen: een tweetal waterpartijen; een moestuin met kassen, platte bakken en tuinmuur; een voorplein; siertuin met prieel; graslanden en bosgebieden. Bij het hoofdhuis (nog in gebruik bij de vorige eigenaar (december 2000) liggen een koetshuis (bewoond door de huidige eigenaar dec. 2000), een voormalige duiventil (in verval) en een stalgebouw.
Hoewel de buitenplaats 't Ross pas aan het begin van de achttiende eeuw ontstond uit een boerderij, komt de naam al in 1600 voor het eerst in geschreven bronnen voor. In de zeventiende en achttiende eeuw droeg de boerderij de naam 'Veltcamp alias het Ross'. De naam 'Veltcamp', die reeds in 1394 wordt genoemd, is een veel voorkomende boerderijnaam in Oost-Nederland en had vaak betrekking op keuterboerderijen, die met name in de zeventiende en achttiende eeuw door ontginning van heide ontstonden. De herkomst van de naam 't Ross is vooralsnog niet duidelijk. Een vaak in de literatuur genoemde verwijzing naar het graafschap Ross in Schotland lijkt niet juist.
De buitenplaats 't Ross is te beschouwen als een van de buitenplaatsen, die rijke stedelingen uit Zutphen in de achttiende eeuw op hun pachtboerderijen stichtten.
De oorspronkelijk voor 't Ross gebruikte naam 'Veltcamp', wijst op een kamp bij het veld. Dit is een perceel bouwland aan de rand van de gemeenschappelijk gebruikte woeste gronden (het veld). De oudste vermelding hiervan dateert uit het einde van de veertiende eeuw. In de Geldersche rekeningen over 1382-1383 treft men een erf 'Veltkampe' aan, dat vanaf de zeventiende eeuw de naam 'Veltcamp alias 't Ross' zou dragen en daarmee als voorloper van de huidige buitenplaats 't Ross moet worden aangeduid. Afgezien van deze vermelding is de geschiedenis van het terrein tot in het midden van de vijftiende eeuw onduidelijk.
In de leenregisters komt vanaf de 1458 het goed 'ten Veltcamp' voor als leengoed van het kasteel Keppel. De familie Van Kerpen wilde in dat jaar enkele goederen, zoals Lambertink te Exel en Enderinck, uit het leenverband laten ontslaan. Zij droegen in de plaats daarvan de helft van het goed Veltcamp op aan Frederik van Rechteren, heer van Keppel, met het verzoek om hun familielid Hilleken van Kerpen daarmee te belenen. Hillekens vader, Evert van Kerpen (of Karpen), had een eigen zegel, hetgeen erop duidt dat het hier geen onbemiddelde familie betrof. Het verzoek is van 22 januari 1458, de belening geschiedde op 4 februari van hetzelfde jaar. In 1505 werd Hilleken nogmaals beleend, met haar zoon Evert Heuminck als hulder, maar nu het gehele goed. Gezien strijdige gegevens uit andere bronnen en met betrekking op het eigendomsverloop van de tweede helft van het goed is dit vermoedelijk niet juist.
In 1511 kreeg Beele Huerninck, vrouw van Johan Stubbe, de hier bedoelde helft van Veltcamp in leen. In hetzelfde leenboek wordt in 1519 ook een rente vermeld van 'XX gulden jaerlix uth den halven erve und leenguede tho Veltkamp' waarmee Beele Huerninck was beleend. In 1525 volgde een tweede belening waarbij Beele's zoon Arnt Stubbe als hulder optrad. op 3 augustus 1539 werd Arnt Stubbe beleend.
In 1566 blijkt kleinzoon Johan Stubbe met het terrein beleend 'gelijk zijn grootvader Johan Stubbe, en nadat een geschil tusschen den leenheer en Johans vader is beslecht, en op voorwaarde dat als mocht blijken, dat het erf Enderinck leenroerig aan het huis Keppel zou zijn, Johan Stubbe of zijn nakomelingen de leenverplichtingen dienaangaande zouden nakomen.' Deze vermelding van het erf Enderinck zou een aanwijzing kunnen zijn dat het goed Veltcamp intussen was gesplitst, maar geheel duidelijk is dit niet. De overhevelingen en scheidingen waren blijkbaar niet geheel correct of duidelijk genoeg geboekstaafd. De leenheer nam derhalve het zekere voor het onzekere en legde alles opnieuw vast, zodat niemand zich aan oude verplichtingen kon onttrekken met een beroep op verjaring. Dat Enderinck een eeuw tevoren uit het leenverband ontslagen was, kon de toenmalige leenheer uit de oude administratie kennelijk niet meer opmaken. Of hij trachtte oude verplichtingen opnieuw op te leggen in de hoop dat de andere partij niet meer kon aantonen daarvan ontslagen te zijn.
De tweede helft van het goed Veltcamp werd op 13 januari 1468 door de heer van Keppel in leen gegeven aan Johan Andrieszoon Kragginck. Over hem is niets gevonden, zodat niet bekend is in welke relatie hij tot Hilleken van Kerpen stond. In 1472 blijkt deze helft door de heer van Keppel in leen te zijn gegeven aan Engele Berner. De Berners waren schepen of raad in het bestuur van Zutphen. Engele had al een volwassen zoon Gart Berner, die in 1472 voor haar leenhulde deed. In 1485 was Engele blijkbaar overleden want haar zoon Goert (of Gart) droeg haar helft van het goed Veltcamp over aan zijn broer Henrick Berner, die in april 1506 nogmaals mee werd beleend.
Blijkbaar is deze daarna overleden, want in 1520 en 1526 werd door de leenkamer van Huis Keppel Hendriks zoon Herman Berner met de Veltcamp beleend.
De volgende vermelding in het leenboek van dit gedeelte van het Veltcamp dateert ui 1574, wanneer Catherina Barners (berner) met het goed Veltcamp werd beleend. Zij was, na een eerder huwelijk met Berndt van Presikhaaf, in 1564 hertrouwd met Jaspar Kloeck, die in 1574 namens haar optrad bij de belening van Veltcamp. In 1596 droeg deze het weer over aan de heer van Keppel, die op zijn beurt Sibilla Kloeck, waarschijnlijk een dochter van Jaspar, ermee beleende. Hulder was Sibilla's man Conrath Heskens (ook wel Huisken of Heisken genaamd).
Begin maart 1600 werd Conrath Heskens, in plaats van Johan Stubbe, beleend met het goed Veltcamp en was het gehele goed in wezen weer in ťťn hand, zij het dat beide echtlieden ieder de helft in leen hadden. Hier komt in het leenregister voor het eerst de benaming 'Roste' voor. Op verzoek van Conrath werden in 1603 door ruiling de goederen Lambertingh en Enderingen, beide 'gelegen onder het goet Ross of Veltcamp' aan het leen toegevoegd. Het was een terugkeer naar de situatie van voor 1458, toen deze uit de leenverplichting waren ontslagen.
In 1631 is Conrath overleden, waarna zijn zoon Cracht voorlopig werd beleend. Begin februari van het daaropvolgende jaar verkreeg hij van zijn leenheer toestemming om het landgoed op te delen onder zijn broers en zusters, In 1637 werd Caspar Heisken (rentmeester wonend op de Looman in Linterlo) beleend met '1/4 van het goed Veltcamp anders Ross geheten', zoals zijn overleden zuster Geertruit Heskens, weduwe Bettingh, het met haar broeder Cracht gezamenlijk bezeten had. Tenslotte werd tien jaar later, op 18 juni 1647, op verzoek van Cracht Heskens 't Ross van de leenplicht ontslagen.
De verdere eigendomsgeschiedenis in de zeventiende eeuw is niet met zekerheid vast te stellen. Bekend is, dat in 1697 de erfgenamen Odekerk het goed 't Ross verkochten aan Geertruid van Dam, weduwe van Willem Wentholt, de vroegere secretaris van Zutphen. Bij deze verkoop werd verwezen naar een vorige akte of eigendomsbewijs uit 1679, waarvan het origineel thans niet meer teruggevonden kan worden.
De definitieve overdracht aan Geertruid van Dam vond pas plaats in 1702, waarschijnlijk omdat pas toen de volledige koopsom was voldaan. Geertruid van Dam was zelf inmiddels overleden. Uit de koopakte van 1697 kan niet worden geconcludeerd dat het Ross op dat moment meer was dan een (grotere) pachtboerderij.
Met de verkoop in 1697 kwam Het Ross in de familie Wentholt aangezien Geertruid van Dam met Willem Wentholt was getrouwd. de familie Wentholt is een bekend Zutphens geslacht. Reeds in 1567 was een zekere Albert Wentholt (ook wel Brouwer genoemd) burger van Zutphen geworden. Onder zijn nageslacht waren vele belastingontvangers, schepenen, burgemeesters en dominees. Uiteraard huwden deze nazaten met andere plaatselijk vooraanstaande families.
Willem Wentholt, de overleden echtgenoot van Geertruid van Dam die vanaf 1697 eigenaar van 't Ross was, was commies van de ontvanger-generaal van het graafschap Zutphen. In 1648 was hij ook secretaris van de stad Zutphen. Op eigen verzoek werd hij in 1668 van zijn taken ontheven. Hij overleed vervolgens in 1670. Uit zijn huwelijk met Geertruid van Dam waren negen kinderen geboren. Een van zijn zoons, Arnold (1649-1704), trouwde met Elisabeth ten Behm. Van dit echtpaar zijn twaalf kinderen bekend, waarvan er acht jong stierven. Drie zonen, namelijk Willem Theodorus (1685-1746), Jan Ludolf (1688-1746) en Derk Joost (1693-1742), werden respectievelijk burgemeester van Doetinchem, Groenlo en Lochem.
Willem Theodorus huwde in 1714 met Theodora Sybilla Arnoldsdr van Dam, vermoedelijk zijn achternicht van moederszijde. In 1726 werd een Willem Wentholt beleend met het goed Sieberink te Groot Dochteren, dat voordien van de familie Te Winkel was. Te Winkel was failliet en zijn eigendom verviel aan de geldschieter. Het echtpaar Willem Wentholt - Theodora van Dam had behalve twee jong overleden dochters een zoon Arnold (1715-1786), die in 1772 in het verpondingkohier als eigenaar van 't Ross staat vermeld. ook het goed Sieberink stond toen op naam van Arnold Wentholt. Hij was in 1738 gehuwd met Swanida Mechteld Geertruid van Munster (1719-1740). Na haar vroege dood hertrouwde Arnold niet.
't Ross was in ieder geval in de jaren zestig van de achttiende eeuw reeds in gebruik als buitenplaats. Dit blijkt uit een serie kasboeken van een koopman in Laren. Mogelijkerwijs is Wentholt 't Ross al vanaf 1747 intensief gaan gebruiken. In dat jaar werd hij in verband met de staatkundige woelingen namelijk niet herbenoemd als burgemeester van Zutphen en zal hij zich vermoedelijk op het land hebben teruggetrokken.
Het is dus waarschijnlijk Arnold Wentholt geweest die de buitenplaats de verschijningsvorm heeft gegeven zoals die werd vastgelegd na zijn dood. Uit kaarten blijkt dat er aan het eind van de achttiende eeuw op het terrein van 't Ross een stelsel van rechte lanen aanwezig was, met een belangrijk kruispunt even ten oosten van het huis. Op de kaart is ter plaatse van het huidige huis reeds een gebouw aangegeven, dat als voorganger van het huidige gebouw kan worden beschouwd.
Nieuwe eigenaar, na het overlijden in 1786 van Arnold Wentholt, was zijn dochter Elisabeth Theodora Sybilla Wentholt (1739-1818), zij was in 1762 gehuwd met mr. Jan Gijsbert Reinder Op ten Noort (1732-1787). De familie Op ten Noort was een Zutphens regentengeslacht, maar had zelf zitting in de magistraat van Kampen. Zij bezaten, behalve een stadhuis aan de Burgwal, ook de havezate De Bonenburg bij Heerde. Aangezien J.G.R. Op ten Noort reeds in 1787 overleed, een jaar nadat hij en zijn vrouw 't Ross erfden, mag worden aangenomen dat hij geen grote veranderingen aan de buitenplaats heeft doorgevoerd. Hoewel het niet uit te sluiten is, is te verwachten dat ook zijn weduwe, gezien haar gevorderde leeftijd, geen veranderingen van betekenis zal hebben aangebracht. Van de drie zoons uit het huwelijk Op ten Noort-Wentholt was de oudste zoon, Joost Jan (1763-1825), aanvankelijk burgemeester van Kampen. Hij erfde het vaderlijk erfgoed Bonenburg waar hij in 1825 ongehuwd overleed. De tweede zoon, Arnold (1766-1838), zou de goederen van moederszijde erven, waaronder 't Ross. Hij was in 1795 gehuwd met Gerhardina Dumbar, dochter van de stadssecretaris en historicus van Deventer, Gerhard Dumbar jr. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. De jongste zoon uit het huwelijk Op ten Noort-Wentholt was Luier Egbert (1768-1808). hij zou in 1800 huwen met Anna Charlotta van Braam uit Zwolle. Beide echtlieden overleden reeds in 1808 en lieten twee dochtertjes na.
Arnold Op ten Noort overleed op 28 juli 1838 kinderloos. Erfgenamen waren voor de ene helft zijn weduwe en voor de andere helft zijn twee nichten, dochters van zijn broer Luier Egbert Op ten Noort. Bij de uiteindelijke verdeling tussen de beide zusters die ruim acht jaar later zou plaatsvinden, ontving de oudste, Elisabeth Theodora Sibilla Louisa Op ten Noort het grootste gedeelte van het landgoed inclusief de buitenplaats. Zij was in 1822 gehuwd met de jurist Willem Louis Frederik Christiaan van Rappard (1798-1862). Deze Willem was onder meer president van het Gerechtshof in Arnhem, lid van de Tweede Kamer, lid van de Eerste Kamer en in 1847-'48 minister van FinanciŽn. een deel van de erfenis bleef ongedeeld, maar zou later aan de buitenplaats het Ross worden toegevoegd. In 1837 werd 't Ross met een fors deel woeste grond uitgebreid waardoor het landgoed een omvang van 280 hectare kreeg.
In 1867 werd er op het landgoed een herenhuis gezet, met waarschijnlijk gebruikmaking van ouder muurwerk. Het is niet duidelijk of de weduwe Van Rappard-Op ten Noort of haar kinderen de opdrachtgevers voor deze ingrijpende verbouwing zijn geweest .
Toen de weduwe Van Rappard-Op ten Noort in 1874 in Den Haag overleed, waren er nog twee zonen en twee dochters in leven. 't Ross kwam in handen van de beide zonen Mr. Hendrik Anton (1824-1877) en Mr. Jan Arnold Aemilius Willem (1828-1885). Hendrik Anton was Procureur-Generaal van het Provinciaal Gerechtshof van Arnhem en later ook lid van de Tweede Kamer. In 1854 trouwde hij op Doorwerth met Jacqueline Gabrielle baronesse van Brakel (geb.1829). Zij overleed reeds drie jaar later, waarna hij in 1861 hertrouwde met Jkvr. Isabella Hovy (1831-1874). Het echtpaar woonde in Arnhem. Zijn broer Jan Arnold bleef ongehuwd en bewoonde 't Ross. Hij vervulde van daaruit de functie van kantonrechter van Lochem. Na het overlijden van Hendrik Anton in 1877 werd zijn zoon Jacob Gabriel (1856-1913) eigenaar van zijn vaders helft van het landgoed 't Ross. Na het overlijden van zijn ongehuwde oom op 28 september 1885 op 't Ross erfde Jacob Gabriel ook diens aandeel. Hij vestigde zich als ambteloos burger op 't Ross. Aangezien Jacob Gabriel astmatisch van aanleg was, wilde hij een buitenhuis met hoge kamers. In 1890 gaf hij daarom de opdracht het huis te verbouwen.
In 1894 huwde Van Rappard met de veel jongere Franse Irma Constance Josephe Delechelle (1872-1947).
Jacob Gabriel van Rappard overleed in 1913 en liet een weduwe en twee minderjarige kinderen, een zoon en een dochter, na. Erfgenaam van de buitenplaats 't Ross werd Johan Arnold Aemile Willem Ridder van Rappard die in 1895 op 't Ross was geboren, terwijl diens moeder het vruchtgebruik behield. De voogden van de minderjarige kinderen verkochten het grootste deel van het landgoed, ruim 250 hectare met daarop twaalf boerderijen en katersteden. Alleen de buitenplaats met de bossen bleef in bezit van de erfgenamen. Bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd van Johan in 1919 werd de buitenplaats, met de bossen, verkocht aan Bartold Jans Adams, rentmeester te Laren. Blijkbaar was deze verkoop ongeldig, want het bezit wordt door het kadasterweer teruggeboekt naar de erven Van Rappard. Na verkoop van delen van het landgoed en het kappen van bossen, werd de buitenplaats vervolgens in 1920 verkocht aan Mr. Michiel Maximiliaan van Valkenburg, destijds advocaat en procureur te Den Haag. Van Valkenburg vestigde zich op de buitenplaats en zou hier tot zijn dood in 1951 blijven wonen. Hij breidde het landgoed weer uit tot zo'n 40 hectare. De terreinaanleg dichtbij het huis werd in zijn tijd geleidelijk gewijzigd.
De erfgenamen van mr. M.M. van Valkenburg verkochten de buitenplaats, na diens overlijden in 1951, aan Mr. Louis Elise van Leeuwen Boomkamp. Deze bracht 't Ross in 1958 onder in zijn N.V. Landbouw-, Bosch- en Bouwmaatschappij 'De Renkumsche Heide', gevestigd te Apeldoorn. Van Leeuwen Boomkamp had het landgoed mogelijk uit speculatieoverwegingen gekocht, aangezien hij van de circa 40 hectare al snel diverse percelen verkocht, vooral in de jaren 1958-1964.
De N.V. 'De Renkumsche Heide' verkocht 't Ross, bestaande uit een huis, erf, schuren, bos, vijvers, tuin, weiland, bouwland, boomgaard, wegen en paden met bijna 8 hectare in 1962 aan 'The Incorporation The Reaper's Fellowship', gevestigd te Philadelphia, Pennsylvania (USA), die in het huis het conferentie oord en bijbelstudiecentrum, 'De Vluchtheuvel' vestigde. In 1966 werd het huis voorzien een aanbouw. De open veranda was al ruim voor die datum gedicht. Vervolgens werd de waterpartij achter het huis vergroot en van een bakstenen beschoeiing met waterval voorzien. Er werd ook een nieuwe ontsluitingsweg ten noorden van het huis in gebruik genomen.. Afgezien van de moestuin en de bloemperken rondom de vijver werd de tuin vervolgens slechts matig onderhouden. ook het koetshuis, waarvan de ramen aan de zuidgevel inmiddels tot deuren waren veranderd, raakte in verval.
Als toegang naar het huis werd een pad ten noorden van het huis gebruikt, waarna men, achter de tuinmuur langs en om het koetshuis heen, op het voorplein uitkwam. De Fellowship verkocht in 1986 ruim driekwart hectare grond met woning ten noorden van het huis. Dit gebouw was aanvankelijk bestemd als bibliotheek voor de Fellowship, maar kon door gebrek aan financiŽn niet voltooid worden. Het terrein van de buitenplaats 't Ross bleef iets meer dan zeven hectare. In 1999 werd 't Ross verkocht aan de heer L.W.M. Wolbert, met de bepaling dat het huis nog enige tijd door de oude eigenaar zou worden gebruikt. De nieuwe eigenaar verbouwde het koetshuis tot woning voor hemzelf en begon inmiddels met het herstel van de schuur ten noorden van de tuinmuur. Hij nam de oude toegang vanaf de Rossweg naar het voorplein opnieuw in gebruik.
In april 2006 zou het landgoed per executieveiling verkocht worden, we weten niet of dat doorgegaan is of dat de heer Wolbert het een en ander nog heeft kunnen regelen, blijkbaar woont hij er niet meer.

Eigenaar/Bewoners

Familie Nan-Olthoff

Huidige doeleinden

 

Toegankelijk

 
Foto's
Bronnen Jan Harenberg -  "Eens bolwerk van de adel, kastelen en landhuizen in de Achterhoek en Liemers"
Dhr. L.W.M. Wolbert